woensdag 7 december 2016

Kennismaking met SONT

Kennismaking met SONT: Streektaalorganisaties Nedersaksisch Taalgebied

SONT werd ingesteld door de regionale Nedersaksische streektaalinstellingen en verenigingen en geldt als koepel voor de behartiging van twee gezamenlijke belangen. Dat zijn:

A - het bereiken van een hogere status en meer erkenning

B - het initiëren en / of adviseren bij gebiedsoverstijgende activiteiten.

1. Oorsprong, samenstelling, financiering

Vanaf begin jaren zeventig vernieuwden de Nedersaksische taalbewegingen zich. Er ontstonden moderne instellingen en instituten en er  kwam behoefte aan een Nedersaksisch orgaan voor overleg tussen alle regio’s. Dat ontstond In 1984, onder de huidige naam SONT. In 2002 deed zich een gedaantewisseling voor. SONT was niet langer allereerst een trefpunt voor  vertegenwoordigers van streektaalorganisaties die bijeenkwamen voor overleg en wederzijdse informatieverstrekking. De koepel werd een vernieuwde stichting, met een nieuw bestuur; dat behartigde voortaan de gemeenschappelijke belangen.  De bestuursleden worden steeds zodanig geselecteerd dat niet alleen de nodige bestuurlijke kwaliteiten aanwezig zijn maar dat ook elke regio zich vertegenwoordigd kan voelen. Er bestaan geen formele banden met de streektaalinstellingen en -verenigingen. Wel worden de officiële streektaalinstituten jaarlijks geconsulteerd. 

Circa twintig organisaties uit de diverse regio’s ondersteunen SONT met een kleine jaarlijkse donatie. De bestuursleden verrichten hun werkzaamheden pro deo.* Ze hebben een aantal  bekende Nedersaksische persoonlijkheden bereid gevonden om als ambassadeur op te treden.

2.  Status en erkenning

Eerdere situatie

Tot 1995-1996 was het Nedersaksisch niet officieel erkend. In de praktijk onderkende men al enkele honderden jaren zeven hoofdvariëteiten: Gronings, Drents, Stellingwerfs, Sallands, Twents, Achterhoeks en Veluws. Bekend was ook dat deze streektalen nauw verwant waren,  niet alleen onderling maar ook aan het Nedersaksisch / Nederduits in Duitsland. De hoofdvariëteiten hadden, net als de subvariëteiten (‘Winterswijks’, ‘Westerwolds’ etc.), vanuit West- en Zuid-Nederlands perspectief dezelfde status als de andere ‘dialecten’ in Nederland. 

Minder bekend dan benamingen als Sallands, Veluws enz. was het gebruik van de termen Nedersaksisch, Saksisch en Nederduits, maar ook die waren er vanouds al. De benaming ‘Nedersaksisch’ werd regionaal en landelijk herkenbaarder met de instelling van het Nedersaksisch Instituut in 1953 aan de Rijksuniversiteit Groningen en met de benoeming aldaar van dr. K.H. Heeroma als eerste hoogleraar Nedersaksische Taal- en Letterkunde, later opgevolgd door prof. dr. H. Entjes en prof. dr. H.W.H. Niebaum (tot 2009).   

 

Belangrijk keerpunt: erkenning door het Europees Handvest van de Raad van Europa

Een belangrijke kentering deed zich voor midden jaren negentig, met de instelling van het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden door de Raad van Europa. In het najaar van 1995 willigde de Nederlandse rijksoverheid een verzoek uit de Nedersaksische regio’s in om hun regionale taal Nedersaksisch aan te melden voor erkenning in het kader van het Europees Handvest. Dat gebeurde formeel in 1996. In 1998 werd het handvest door de Raad van Europa in werking gesteld en vanaf die tijd geldt het Nedersaksisch dus in Nederlands, Europees en internationaal verband als een erkende regionale taal , net als het Limburgs en het Fries.

De erkenning heeft inmiddels geleid tot  een veel grotere bekendheid met en over het Nedersaksisch dan voorheen. In de samenleving als geheel en in het onderwijs in het bijzonder profiteert men ervan dat niet uitsluitend op taalwetenschappelijke basis maar ook op grond van een gewestelijke, landelijke en Europese erkenning  van een regionale taal wordt gesproken. Het aanzien van het Nedersaksisch is erdoor verbeterd en de taalgebruikers voelen zich in hun taalgebruik een stuk minder miskend dan vroeger, al blijft er in de praktijk wel het een en ander te wensen over. Te vaak nog wordt gedacht dat meertaligheid nadelig is, en zeker wanneer het Nedersaksisch als één van de componenten in beeld komt. Te vaak ook wordt nog gedacht dat het Nedersaksisch uit het Nederlands voortkomt en daar dus een dialect van is, en is er geen besef van de ontwikkelingslijn uit het Oudsaksisch.   

De ‘Europese erkenning’ van het Nedersaksisch heeft alleen betrekking  op deel II van het handvest. Dat betreft de meer algemene principes en intenties ervan, waaronder een positieve benadering van het gebruik van de regionale taal. Onder deel III kunnen afspraken over beleid en uitvoering worden vastgelegd. Voor het Nedersaksisch is dat niet gebeurd, al zou het kunnen. Dat is tot uitdrukking gebracht onder meer in de studie Nedersaksisch waar het kan (2009), geschreven door twee juridische experts van de Rijksuniversiteit Groningen (zie ook par. 4). In 2012 werden de uitkomsten onderschreven door de Staten resp. Raden van de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland en de gemeenten Oost- en West-Stellingwerf in Friesland. Deze provinciale overheden en beide gemeenten fungeren sinds 1995 als eerstverantwoordelijke overheden, elk voor het Nedersaksisch van hun regio.

De landelijke overheid wijst toepassing van deel III tot nu toe af, om praktische en financiële redenen.  Inmiddels voert SONT overleg met Binnenlandse Zaken over een alternatief voor de toepassing van deel III: een expliciete landelijke erkenning door het Rijk. Ook de regionale en lokale overheden zijn daarbij betrokken. Die erkenning zal leiden tot een blijvend positief imago van het Nedersaksisch in landelijk verband. Dat is passend bij het in de regio aanwezige taalbeleid en de vele activiteiten voor onze regionale taal. Voor het wel en wee van het Nedersaksisch vindt SONT dat van veel groter belang dan het steeds in discussie blijven over hoe de handvestbepalingen precies moeten worden toegepast voordat ze als geldig worden opgevat.  

Domeinen

Op grond van sociolinguïstische inzichten worden in verband met status en erkenning de specifieke gebruiksterreinen van het Nedersaksisch ingedeeld in ‘domeinen’.  Dit gebeurt ook in het Europees handvest.  Deze vier domeinen gelden als de belangrijkste: Onderwijs (inclusief kennisontwikkeling), Bestuurlijke autoriteiten & openbare diensten, Media en Culturele activiteiten & voorzieningen.  Vooral in die gebieden is sterke ondersteuning nodig voor het Nedersaksisch en kan die ook vruchten afwerpen. Andere domeinen zijn: Economisch en sociaal verkeer, Rechtspraak en Internationale uitwisselingen.  

3. Gebiedsoverstijgende activiteiten

SONT houdt zich bij tijd en wijle bezig met het initiëren en adviseren in de vier domeinen die in par. 2 als de belangrijkste genoemd zijn.  Zo zorgde SONT voor een ‘taaltelling Nedersaksisch’,  er werd een symposium gehouden over de regionale media, en SONT publiceerde bloemlezingen van Nedersaksische poëzie (‘Verrassend Nedersaksisch’) en proza (‘Gloepens’) uit de periode van na WO II.

4. Achtergrondinformatie

Veel is te lezen op www.sont.nl, zoals de resultaten van de bekende ‘taaltelling Nedersaksisch’ en de links naar de regionale streektaalinstituten. Ook enkele belangrijke rapporten zijn er te vinden:  Koesteren van een cultureel erfgoed, onderzoeksverslag naar de toepassingsmogelijkheid van deel III door mevr. drs. D. Vliegenthart, en Nedersaksisch waar het kan, studie vergelijkbaar in doel maar met meer expliciete bestuurlijke en juridische checks (auteurs:  prof. mr. J.H. Jans en  prof. dr. M. Herweijer).

Informatie over de taal- en letterkunde van het Nedersaksisch is vooral te vinden in:

-     Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde. Assen, 2008: Van Gorcum

-          de delen 3, 9, 10, 13, 14 en 17 in de reeks Taal in stad en land. Den Haag: SDU uitgevers, 2002 en volgende jaren

en ook op de belangrijkste regionale taalsites:

-          www.huisvandegroningercultuur.nl

-          www.huusvandetaol.nl

-          www.detaalvanoverijssel.nl

-          www.stellingwarfs.nl

----------------

*Bestuurssamenstelling anno 2016: dr. Hans Gerritsen, voorzitter (Haaksbergen, OV); drs. Annet Westerdijk, vice-voorzitter (Zwolle, OV); dr. Henk Bloemhoff, secretaris (Oosterwolde, FR), drs. Anne Doornbos, penningmeester (Een, DR), André Baars, lid (Ermelo, GD), Ria Broeze, lid (Wierden, OV), Jan Haveman, lid (Emmen, DR.), Gerrit Leferink, lid (Barchem, GD.)